Wat betekent Piketty’s analyse voor de democratie?

Piketty is hot. Zijn boek ‘Capitalism in the 21th century’ is het meest bediscussieerde boek van het moment en wordt goed verkocht. De centrale these van zijn boek is dat inkomensverschillen door het kapitalisme versterkt worden (ik heb het dikke boek nog niet gelezen, maar hier staan de belangrijkste conclusies). Een veelgebruikt argument om vermogen niet te veel te belasten is dat vermogen wordt gebruikt om te investeren in de economie. Deze investeringen zorgen ervoor dat er banen gecreëerd worden, dit bestrijdt dus de werkloosheid en zorgt voor welvaart. Echter stelt Piketty dat de economische analyses die deze argumenten onderbouwen gemeten zijn in een te korte periode. De meeste van deze economische analyses gebruiken namelijk datasets die beginnen na de Tweede Wereldoorlog. Volgens Piketty veroorzaakte een unieke historische gebeurtenis- zoals de Tweede Wereldoorlog – voor een tijdelijke trendbreuk doordat er veel vermogen vernietigd werd: de wereldeconomie groeide harder dan het rendement op kapitaal. Door deze tijdelijke trendbreuk werden de inkomens binnen samenlevingen gelijker en leek het kapitalisme een emancipatiemachine.

Piketty gebruikt data vanaf het jaar 1500 en komt met een hele andere conclusie: het inkomen door vermogen groeit veel sneller dan de wereldeconomie en dit zal in de 21ste eeuw een flinke inkomensongelijkheid zoals in de 19de veroorzaken (zie tabel). In steeds toenemende mate concentreert vermogen zich.

Tabel uit ‘Capitalism in the 21st century’.

Wat mij opviel is dat De Tocqueville in 1840 al waarschuwde voor de concentratie van vermogen in democratieën. De Tocqueville beschrijft in zijn boek ‘Over democratie in Amerika’ dat vermogen in het Amerika van de 19de eeuw niet lang in een familie geconcentreerd kon blijven. Dit omdat de erfwetgeving in Amerika zo is geregeld dat het vermogen wordt herverdeeld onder alle zonen van de familie. Dit is tegengesteld aan landen waar de erfenis wordt overgedragen op de oudst geboren zoon; dan is er een sterke concentratie van vermogen. Doordat vermogen zich niet kan concentreren is er volgens de Tocqueville een constante opwaartse mobiliteit in de Amerikaanse samenleving. Families vergaren vermogen maar kunnen na een aantal decennia al weer teruggebracht worden tot de middenklasse of zelfs armoede.

Volgens De Tocqueville zorgt dit ervoor dat de territoriale aristocratie in Amerika vernietigd is. Hierdoor is er sociale opwaartse mobiliteit mogelijk, waardoor burgers gemotiveerd worden hard te werken om hoger op de sociale ladder te klimmen. Burgers kunnen, met vallen en opstaan, steeds proberen hun eigen lot te verbeteren: de bekende ‘Amerikaanse droom’.

Waar De Tocqueville wel voor waarschuwt is de opkomst van de industriële aristocratie. Want zodra een samenleving gelijker en democratischer wordt, wordt de materiële behoefte dat ook. En materialen worden het goedkoopst gemaakt zodra er flinke arbeidsdeling is en er schaalvergroting optreedt. Deze arbeidsdeling zorgt ervoor dat er veel behoefte is aan gespecialiseerde arbeiders en ook aan investeerders die een steeds grotere schaalvergroting mogelijk maken. ‘Dat betekent dus dat elke dag rijkere en meer verlichte mannen hun rijkdommen en kennis aan de nijverheid wijden, en door grote werkplaatsen te openen en de arbeid strikt te verdelen, proberen te voldoen aan de nieuwe verlangens die zich overal manifesteren. Naarmate de massa van de natie zich meer tot de democratie wendt, wordt de bijzondere klasse die zich met de nijverheid bezighoudt dus steeds aristocratischer.’ De Tocqueville denkt echter dat dit, door de sociale mobiliteit die hij in het Amerika van de 19de eeuw overal waarneemt en het reduceren van vermogen door middel van erfrecht, geen gevaar is voor de democratie in Amerika. De rijken hebben namelijk geen stevige onderlinge band, geen gemeenschappelijke tradities en vervallen ook weer makkelijk in armoede. Toch waarschuwt De Tocqueville nog: ‘Niettemin moeten de vrienden van de democratie er hun blikken voortdurend vol onrust op richten, want als de permanente standsongelijkheid en de aristocratie opnieuw in de wereld doordringen, mag men aannemen dat zij door deze deur binnen zal komen.’

Het gevaar van een nieuwe aristocratie is volgens De Tocqueville extra gevaarlijk als die opkomt in moderne democratieën zoals die ontstaan sinds de 19de eeuw. Dit omdat territoriale aristocratieën alleen burgers leidde en controleerde in zaken van nationaal belang. Na de Franse revolutie is het volgens De Tocqueville duidelijk dat (sociale) macht zich meer en meer concentreert. ‘Het is overduidelijk dat de meeste van onze vorsten niet alleen het gehele volk willen besturen, het lijkt wel alsof zij zich verantwoordelijk achten voor de daden en het individuele lot van hun onderdanen, en alsof zij de taak op zich hebben genomen om elk van hen in de verschillende fasen van zijn leven te begeleiden en te verlichten, en hem zo nodig tegen wil en dank gelukkig te maken’. De opkomst van een nieuwe aristocratie is dus volgens De Tocqueville erg gevaarlijk.

Het gevaar van een nieuwe aristocratie is volgens De Tocqueville extra gevaarlijk als die opkomt in moderne democratieën zoals die ontstaan sinds de 19de eeuw.

De 19de eeuw ontwikkelde zich tot een eeuw waarin met veel geweld en door vele revoluties de meeste Europese landen uiteindelijk democratieën werden. Deze strijd duurde zeker tot diep in de jaren zeventig van de 20ste eeuw (waarna de dictaturen in Zuid-Europa verdwenen) en de jaren negentig van de 20ste eeuw (waarna de dictaturen in Oost-Europa verdwenen) voort. Maar met Piketty’s analyse moeten wij waken voor de opkomst van een nieuwe industriële aristocratie die ons democratie kan bedreigen. De grote inkomensongelijkheid die Piketty beschrijft blokkeert opwaartse mobiliteit binnen de samenleving en zorgt van de concentratie van macht en vermogen binnen een groep. Dit is volgens De Tocqueville een bedreiging voor de democratie.

De opkomst van zo’n nieuwe industriële aristocratie is niet nieuw. Een mooi historisch voorbeeld is de vorming van de New York Clearing House Association (NYCHA) in de tweede helft van de 19de eeuw. De NYCHA was een groep banken, die voornamelijk gevestigd waren in Manhattan. Doel van de NYCHA was om leningen te verschaffen aan leden die in de problemen kwamen en de NYCHA reguleerde het handelen van haar leden om te voorkomen dat ze al te grote risico’s namen. De reden dat de NYCHA werd opgericht was om te voorkomen dat banken die aangesloten waren bij de NYCHA failliet gingen. Hierdoor ontstond er een soort financieel monopolie in Manhattan. Uiteindelijk kwam de NYCHA zelf toch in de problemen door de opkomst van trust-companies; een soort banken voor mensen met een flink vermogen. De trust-companies werden concurrenten van de banken van de NYCHA. In 1907 stortte een van de trust-companies in en al snel zorgde dit voor een paniek op de markt die andere trust-companies en ook de banken van de NYCHA in gevaar bracht. De NYCHA schoot haar eigen leden te hulp maar weigerde de trust-companies te redden. Hierdoor duurde de crisis nog langer voort omdat de trust-companies in de problemen bleven. Om de crisis te stoppen werd onder publieke druk de NYCHA opgeheven. Daarvoor in de plaats werd de federal reserve (de monetaire autoriteit van Amerika) gecreëerd; de functies van het reguleren van banken en het bieden van een vangnet voor hun falen ging van private regionale handen over naar publieke nationale handen. De wetenschappers Yue, Luo en Ingram vonden statistisch bewijs dat regulering door de markt – in het geval van de NYCHA – faalde. De NYCHA veranderde van een privaat instrument om de markt te regulieren tot een gesloten systeem van bankiers die nieuwkomers op de markt tegenwerkte.

Het voorbeeld van NYCHA laat zien hoe veerkrachtig een democratie kan zijn. De vorming van een industriële aristocratie werd geblokkeerd doordat publiek debat ervoor zorgde dat de financiële markten door de overheid werden gereguleerd. De publieke opinie en de publieke noodzaak wonnen het van de gevestigde belangen van de bankiers van Manhattan.

Het voorbeeld van NYCHA laat zien hoe veerkrachtig een democratie kan zijn.

Op dit moment krabbelen wij net uit een van de zwaarste crises sinds de Grote Depressie. Toch lijkt er niets wezenlijks veranderd te worden aan het concentreren van vermogen of het functioneren van banken. Het CBS beweerde onlangs nog dat Nederland een van de meest egalitaire landen ter wereld is, maar Robin Fransman maakte in deze column juist duidelijk dat Nederland zeer ongelijk is, omdat vermogen hier niet belast wordt. Om onze democratie te beschermen is verdere regulering van banken en het belasten van vermogen dus noodzakelijk. Forester de Rothschild (hoofd van een investeringsmaatschappij die twintig miljard beheert) en Lagarde (directeur IMF) riepen onlangs op tot de omvorming van ons kapitalistisch systeem zodat het kapitalisme de burgers weer dient in plaats van andersom. Nederland is erg mild voor vermogenden. Dit moet dus veranderen om onze democratie te beschermen. Wij, als vrienden van de democratie, moeten luisteren naar de oproep van De Tocqueville om te waken voor permanente standsongelijkheid, en de huidige industriële, financiële aristocratie ontbinden. De vorming van de federal reserve in Amerika bewijst dat dit geen permanente schade toebrengt aan onze welvaart. Dus laten wij dit zo snel mogelijk uitvoeren.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>